Een werkgever mag belastingvrij provisies aanleggen voor de uitbetaling van vakantiegeld aan zijn personeelsleden.

De fiscus aanvaardt volgende percentages van de provisies voor vakantiegeld die op 31 december 2020 in de balansen worden geboekt, als beroepskosten:

  • 18,20 % van de vaste en veranderlijke bezoldigingen die in 2020 zijn toegekend aan bedienden op wie de wetgeving jaarlijkse vakantie werknemers van toepassing is;
  • 10,27 % van 108/100 van de lonen, toegekend aan arbeiders en leerlingen, die het voordeel van dezelfde wetgeving genieten.
 
Dit zijn dezelfde percentages als vorig jaar.


Werkelijke lonen

De provisie wordt berekend op basis van de effectief betaalde lonen.

Dit houdt geen rekening met de gelijkstellingen voor vakantiegeld, en dus ook niet met de gelijkstelling tijdelijke werkloosheid corona. Een minimumbedrag aan vakantiegeld dat zeker verschuldigd is in het vakantiejaar (Comm IB 57/18).


Hogere provisie voor gelijkstelling tijdelijke werkloosheid corona ?

Men kan de berekeningsgrondslag uitbreiden als gevolg van het mechanisme van gelijkstelling van dagen tijdelijke werkloosheid corona met effectieve werkdagen.

De administratie licht de mogelijkheden toe in een circulaire (Circulaire 2021/C/14).
 

Verschil arbeiders versus bedienden

  • Arbeiders
 
 De bijkomende kost voor de gelijkstelling van dagen tijdelijke werkloosheid corona met effectieve werkdagen, valt volledig ten laste van de vakantiekas.
 
 Dit heeft geen financiële impact voor de werkgevers. Voor het vakantiegeld van arbeiders, is een bijkomende provisie niet mogelijk. 

  • Bedienden
 
 Voor bedienden moet de werkgever deze kost ophoesten. Werkgevers die in het tweede kwartaal 2020 af te rekenen hadden met gemiddeld minstens 10% corona-werkloosheid voor hun bedienden, maken in principe aanspraak op een bepaalde compensatie van hun meerkost.
 
 De RSZ berekent het compensatiebedrag voor werkgevers van bedienden in het tweede kwartaal 2021. Het toegekend bedrag zal verrekend worden met de bijdragen verschuldigd voor dat kwartaal of de volgende kwartalen van 2021.
 Enkel de RSZ kan de berekening uitvoeren en het bedrag bepalen. Het globaal budget van de tussenkomst door de overheid ligt immers vast. Het bedrag zal nooit exact een compensatie zijn van de kostprijs voor de werkgever.  
 

Uitzonderlijke uitbreiding voor het jaar 2020 van de berekeningsgrondslag bediende

De fiscale wetgeving laat de forfaitaire uitbreiding van de berekeningsgrondslag provisie vakantiegeld niet toe (artikel 49 WIB 92).

Een forfaitair bepaald bedrag als beroepskost wordt niet aanvaard. Het bedrag zou een benadering zijn en bijgevolg in strijd met de voorwaarde van zekere en vaststaande schuld.

Het volgende is wél mogelijk:

  • als de werkgever meent dat hij een voorziening moet aanleggen om de geraamde meerkost van het vakantiegeld te dekken, dan kan die voorziening worden vrijgesteld.
Hiertoe moet voldaan zijn aan alle voorwaarden bedoeld in artikel 48 WIB 92 (voorzieningen voor risico’s en kosten).
  •  de berekeningsgrondslag voor de gelijkgestelde dagen van werkloosheid van bedienden (als gevolg van COVID-19) is niet het voorwerp van een forfaitaire raming, maar het resultaat van een uitsluitend op gekende en vaststaande gegevens gebaseerde individuele berekening per bediende.
Die uitbreiding vormt wel een zekere en vaststaande schuld op 31 december 2020. Mits ook aan de andere voorwaarden van artikel 49 WIB 92 is voldaan, vormt het dus ook een aftrekbare beroepskost in het jaar 2020.
Laatst aangepast op: 09/03/2021